nl1us1
CF1000

 

De trompet : bouw & werking

 

 

1. DE LUCHTKOLOM IN DE TROMPET

 

De luchtkolom in de trompet bestaat uit de ruimte binnen de wanden van de trompet (inclusief het mondstuk), van de lippen tot de rand van de beker. Deze luchtkolom is de akoestische versterker van het geluid, dat door de lippen gemaakt wordt. De functie van de luchtkolom in de trompet, is te zorgen voor een serie nauwkeurig bepaalde en harmonisch verwante, sterke resonanties.

 

DE WEERSTAND VAN DE LUCHTKOLOM

 

Een trompettist laat zijn (beide) lippen trillen (“buzzen”) door lucht door een spleet tussen de lippen te laten stromen. Deze trilling veroorzaakt een drukgolf die zich verplaatst door de luchtkolom in de trompet, tot aan de rand van de beker. Daar wordt de drukgolf vrijwel in zijn geheel teruggekaatst. Als de teruggekaatste drukgolf in fase is met de drukgolf, die veroorzaakt wordt door de lippen, verenigen beide drukgolven zich met elkaar en versterken zo de amplitude van de drukgolf. Dit veroorzaakt een versterkte zgn. transversale of staande  golf. Als de teruggekaatste golf uit fase is met de trilling van de lippen, is de totale reactie van de luchtkolom minimaal.

 

De situatie waarin een versterkte staande golf is ontstaan wordt de resonantie van de luchtkolom of de natuurlijke frequentie genoemd. Een resonantie kan een grote amplitude bereiken, hoewel hij in stand gehouden wordt door een verhoudingsgewijs kleine inspanning van de lippen. De lippen trillen op een basisfrequentie en een reeks boventonen. De basisfrequentie wordt bepaald door de lipspanning en de snelheid waarmee de lucht door de opening tussen de lippen wordt geblazen. De boventonen hangen af van de kenmerken van het lipweefsel van de blazer en zijn mondholte. De luchtkolom in de trompet resoneert op één van zijn natuurlijke frequenties en enkele van de boventonen.

 

HET MONDSTUK

 

De luchtkolom in het mondstuk heeft zijn eigen natuurlijke frequentie. De laagste natuurtoon wordt de “plop-frequentie” genoemd. Dit is de toon die ontstaat als je met de palm van de hand op de cup van het mondstuk slaat (niet in de trompet!). De plop-frequentie van een mondstuk zit ergens tussen de 700 en de 900 Hz. De plop-frequentie wordt gewoonlijk niet meegerekend; hij geeft echter wel de totale inhoud van het mondstuk weer.

Het mondstuk versterkt precies die resonanties van de luchtkolom in de trompet die grenzen aan de plop-frequentie van het mondstuk. Een mondstuk met een kleinere inhoud heeft een hogere plop-frequentie. Dit versterkt de hogere resonanties en versterkt zo het hoge register. Een mondstuk met een grotere inhoud heeft een lagere plop-frequentie. Dit versterkt de lagere resonanties. De inhoud van het mondstuk verandert dus de resonantiereeks (de lijn die alle pieken omvat).

 

De inhoud van het mondstuk wordt verkleind naar mate de lippen in de cup steken. Dit is verschilt per blazer.

 

DE MONDPIJP

 

De frequentiebreedte van de resonantiepieken wordt voor het grootste gedeelte bepaald door de mate waarin de boring van de mondpijp (of leadpipe) toeneemt. De kern van de toon bepaalt de basiskwaliteit, de projectie en de dynamiek van het geluid van de trompet. Een “nauwe” (of langzaam uitlopende) boring zorgt voor een smallere kern. Dit leidt tot een scherpe, zuivere toon met een uitzonderlijke projectie en dynamiek. Een “grote” (of sneller toenemende) boring produceert een grotere kern. Dit geeft een vol, breed geluid, dat minder projecteert en minder dynamisch is. De vorm van de cup en de boring van de stift van het mondstuk, en de boring van de beker hebben ook invloed op de kern van de toon.

 

DE STEMPOMP

 

De “vierkante” stempomp heeft twee relatief scherpe hoeken. Deze obstakels in de luchtkolom veroorzaken een weerkaatsing van de golven. Hierdoor ontstaat een heldere toon en een goed aansprekend instrument. De stempomp kan ook gemaakt worden met een ronde bocht. Hierdoor worden obstakels in de luchtkolom vermeden en dat verlaagt de weerstand. De ronde stempomp kan ook volledig conisch gemaakt worden. Dan wordt de stempomp in feite een verlangstuk van de mondpijp en verandert de kern van de toon.

 

DE BUIZEN

 

De cilindrische buizen van de trompet bepalen de toonhoogte. De diameter van de buizen heeft slechts invloed op de weerstand.

 

DE BEKER

 

Door zijn invloed op de belangrijkste waarden van de resonantiefrequenties, beheerst de mate waarin de beker breder wordt de akoestische eigenschappen van de luchtkolom. De verbreding van de beker bepaalt samen met de cup en de boring van de stift van het mondstuk en de mondpijp,  de kern van de toon. Een kleine beker produceert een compact en geconcentreerd geluid. Een wat opener beker geeft een vollere, bredere, en meer gespreide sound.

Hoewel de verbreding van de beker de natuurlijke frequentie van de luchtkolom bepaalt, kan iedere onregelmatigheid in de luchtkolom behoorlijke veranderingen in de eigenschappen van de beker veroorzaken, en zo de frequenties van de resonanties beïnvloeden. Een onregelmatigheid ontstaat als de vorm van de diameter, de diameter zelf of de mate van toename van de diameter plotseling verandert.

 

De verbreding van de beker weerkaatst de drukgolf en comprimeert het aantal resonantiepieken tot een kleiner frequentiegebied. De vorm van de beker bepaalt hoever de staande golf, voor iedere resonantie, doordringt in de beker. Verder bepaalt de vorm van de beker welk deel van de energie van de golf teruggekaatst wordt en welk deel uit het eind van de beker straalt. De beker moet niet te snel uitlopen omdat de geluidsgolven dan geen contact meer hebben met de wand.

Afhankelijk van het ontwerp van de luchtkolom zijn de maximale amplitudes van de resonanties boven de 1500 Hz duidelijk beperkt. (zie fig. 1.) Veel van de energie van het geluid verdwijnt uit het eind van de beker in de omgeving, waardoor er minder energie teruggekaatst wordt om de staande golf op te bouwen. Ook zijn de maxima en minima minder duidelijk, waardoor hoge noten minder makkelijk op hun plaats vallen.  Een trompettist moet een atleet zijn om deze hoge tonen te produceren, want de lippen moeten deze trillingen dragen. De luchtkolom werkt meer als een soort megafoon dan als resonator.

De vorm van de beker is meestal een hyperbool; de precieze vorm verschilt echter per trompetbouwer. (zie fig.2) Door een bepaalde hyperbolische vorm te gebruiken kan de bouwer ervoor zorgen, dat de diverse resonanties de exacte, hele veelvouden van de eerste natuurlijke frequentie benaderen, en zo een serie natuurtonen vormen. Met een zo op elkaar afgestemde reeks resonanties, komen de tonen en hun boventonen overeen met de natuurtonen van de luchtkolom. Het resultaat is een trompet, die gemakkelijk speelt, met een goede intonatie en een goed volume. Als we de wiskunde weglaten: de wenselijke hyperbolische vorm van de beker hangt samen met de mate waarin de beker uitwaaiert (m=1.0). Dit leidt tot een relatief grote opening en een geleidelijke trechtervorm.

 

SAMENVATTING

 

De resonantie frequenties van de luchtkolom in een trompet worden bepaald door de specifieke vorm van de beker, vooropgesteld dat er geen obstakels in de luchtkolom zijn. De lengte van de cilindrische buizen bepaalt de toonhoogte. De cup en de boring van de stift van het mondstuk,  de mondpijp en de beker bepalen de kern van het geluid. De grootte van de kern beïnvloed de kwaliteit van het geluid, de projectie en de dynamische mogelijkheden. De inhoud van het mondstuk bepaalt de precieze versterking van de resonanties.

 

2. DE WAND VAN DE TROMPET

 

De wand van de trompet bestaat uit het mondstuk en de wanden van de trompet, die de luchtkolom omgeven. De luchtkolom resoneert op frequenties, die uitsluitend bepaald worden door de geometrie van de luchtkolom (alsof de wand van de trompet helemaal star is). De relatief dunne en elastische wand trilt echter en heeft zijn eigen natuurlijke frequenties. De eerste (laagste) natuurlijke frequentie van de wand is van bijzonder belang.

De wand versterkt de eigenschappen van de luchtkolom, afhankelijk van de natuurlijke frequentie van het gebruikte materiaal. Een hogere natuurlijke frequentie versterkt de hogere boventonen; een lagere natuurlijke frequentie de lagere boventonen.

 

De natuurlijke frequentie van de wand van een trompet hangt af van zowel de dikte van de wand als van de mate waarin het materiaal het geluid geleidt. De geleiding van het materiaal hangt af van de samenstelling,  de dikte en de hardheid van de wand. De natuurlijke frequentie wordt hoger  naarmate de wand dunner - en het geleidend vermogen van het materiaal groter is. Andersom wordt de natuurlijke frequentie lager als het materiaal dikker is en slechter geleidt. Zie hoofdstuk 3, MATERIAAL, voor verdere uitleg.

 

De natuurlijke frequentie van de trompet kan verder verhoogt worden door de wand van de beker naar de rand toe steeds dunner te maken. Dit kan bij de bouw gebeuren (door hameren, draaien of polijsten) of chemisch. De hogere frequenties worden zo versterkt, en het geluid wordt dus helderder.

De natuurlijke frequentie van de trompet hangt in zijn geheel af van het ontwerp en de samenstelling en massa van alle wanden. De wanden van de trompet kunnen beschouwd worden als een relatief elastische wand, waaraan relatief stijve massa’s bevestigd zijn. De natuurlijke frequentie van een trompet wordt verlaagd door alle massa’s, zoals, het mondstuk, de mondstukschacht, haken en ringen, steunen, versieringen, waterkleppen, de schachten voor buizen, stopmechanisme voor de trigger op het 3de ventiel, de staalring in de beker (en het soldeer), het ventielhuis en de doppen op de ventielen. Elk van deze massa’s heeft een vergelijkbaar effect op de natuurlijke frequentie van de wand van de trompet en de versterking van boventonen.

 

3. MATERIAAL

 

 

KOPEREN BLAASINSTRUMENTEN

 

Vanaf de tijd dat de eerste metalen blaasinstrumenten gebouwd zijn, zijn trompetten gemaakt van messing. Messing is bijzonder geschikt voor de basisconstructie en zal dus niet zo snel vervangen worden. Messing is een legering: een mengsel van koper en één of meer andere metalen. Het resultaat is een metaal dat andere eigenschappen heeft dan koper of één van de andere metalen uit de legering. Dit hoofdstuk is bedoeld, om de mogelijkheden te laten zien, die minder gebruikelijke metalen voor de constructie van trompetten bieden.

 

De meest gebruikelijke en goedkopere messingsoorten bestaan uit koper en zink. Dit materiaal is gemakkelijk te bewerken en over het algemeen, in meer of mindere mate, goed bestand tegen corrosie. De gebruikelijke koper-zink legeringen die worden gebruikt voor het bouwen van trompetten zijn:

 

Buizen: messing en nikkel-zilver

 

Plaatmateriaal: geel koper, rood koper en verguld messing

 

De samenstelling en precieze eigenschappen van de gekozen koperlegeringen, als onbewerkt plaatmateriaal, zijn opgesomd in tabel 1.

Koperlegeringen zijn zacht als afgietsel of worden gehard (door verhitting tot ongeveer 1100ºF, gevolgd door afkoeling aan de lucht). Als deze metalen dunner gemaakt worden door trekken, hameren of draaien, worden ze harder, sterker en minder buigzaam. (zie tabel 1 & 2) Deze veranderde eigenschappen blijven stabiel bij normale omgevingstemperaturen. Als het metaal vervolgens echter met een brander verhit wordt, worden de spanningen in het materiaal, die ontstaan bij het vormen, verminderd. Het metaal krijgt weer dezelfde eigenschappen als in de zachte vorm.

 

Sommige trompetbouwers verharden delen van de trompet, zoals de mondpijp of de stempomp, om het geluid donkerder te maken. Afkoeling van het metaal tot cryogene temperaturen (-300 ºF) heeft een iets ander, spanning verlagend effect. Sommige klassieke trompettisten prefereren het donkere geluid dat ontstaat door de afgebouwde trompet een cryogene behandeling te geven.

 

Goud en zilver geleiden relatief slecht en versterken daarom, zoals verwacht, de lagere frequenties. Beide metalen worden toegepast als laag over een trompet. De laag is (0,0005 inch) in verhouding tot de gemiddelde wanddikte (0,02) erg dun (2,5%). Het effect op het geluid is bijna niet waarneembaar. Zuiver sterling zilver (zacht) wordt gebruikt voor mondpijpen en bekers. Het zorgt voor een veel donkerder geluid dan koper (of legeringen met een hoog kopergehalte). Zilver kan echter harder gemaakt worden door er ijzer aan toe te voegen. Dat verhoogt het geleidend vermogen en het geluid wordt helderder.

Nikkel, aluminium en beryllium goede elementen zijn om messingsoorten te produceren die de hogere boventonen versterken. Aluminium-brons en beryllium-koper zijn zulke legeringen. Brons dat een beetje lood bevat zou een goede kandidaat zijn voor een materiaal dat de lagere frequenties versterkt.

 

CORROSIE-EIGENSCHAPPEN

 

Hoewel koper-zink legeringen in zekere mate bestand zijn tegen corrosie (en lak -, zilver – en goudlagen  extra bescherming geven), richten de lichaamszuren van sommige blazers ware verwoestingen aan op trompetten. Het is doodzonde dat een goed instrument slechts een paar jaar meegaat in de handen van een trompettist met een hoge zuurgraad. Tabel 5 laat de corrosiewaarden zien voor zes soorten koperlegeringen. Tamelijk verrassend is, is dat messing met een hoog zinkgehalte (zoals bijvoorbeeld geelkoper) de slechtste waarden heeft. Nikkel-koperverbindingen zijn uitzonderlijk goed bestand tegen veel corroderende stoffen. Nikkel-zilverlegeringen en messing met een laag zinkgehalte zijn ook prima. Deze materialen verdienen meer aandacht voor gebruik in kwaliteitsinstrumenten.

 

4. DE LUCHTWEERSTAND IN DE TROMPET

 

De luchtkolom resoneert op één van zijn natuurlijke frequenties en enkele van zijn boventonen. Terwijl dit gebeurt stroomt de lucht met een relatief lage snelheid door het instrument. Deze luchtstroom is in principe constant. De totale energie van de luchtstroom (net als de “vloeistofdruk” in de vloeistofmechanica) neemt af naar mate deze nagenoeg constante luchtstroom verder komt in de trompet. Dit energieverlies wordt veroorzaakt door wrijving met de toplaag van de trompetwand. De totale weerstand is de som van al deze wrijvingsverliezen.

 

De luchtweerstand kan worden berekend door gebruik te maken van de bekende theorie over constante stromen uit de vloeistofmechanica. De luchtstroom door een trompet gedraagt zich nagenoeg hetzelfde als een vloeistof, die door een buizenstelsel wordt gepompt. De trompettist is de pomp (met zijn pulserende druk) en de onderdelen van de trompet zijn in feite vloeistofmechanische componenten (buizen, conische verwijding, bocht, plotselinge verwijding of vernauwing, etc.). De theorie en de in experimenten vastgestelde vloeistofmechanische coëfficiënten zijn nauwkeurig vastgesteld. Deze technologie wordt al vele jaren toegepast in de analyse en het ontwerp van verschillende hydraulische en aerodynamische systemen.

 

SAMENVATTING

 

(1)  De keuze voor een bepaalde boring is de eenvoudigste manier om de weerstand in de trompet te verminderen of te vergroten. Een trompet met een medium (M) boring heeft 6% meer weerstand, een trompet met extra grote boring (XL) heeft 8% minder weerstand  dan een instrument met een medium-large (ML) boring.

 

(2)  De stem pomp biedt ook een aantal mogelijkheden om de weerstand te verminderen: een dunne wand, een zgn. reverse leadpipe systeem, een grotere ruimere bocht en een bocht met een grotere diameter. Bij toepassing van al deze mogelijkheden wordt de weerstand gereduceerd met 6%.

 

(3)  Binnen een bepaalde boring zorgen de ventielen voor de grootste weerstand. De eenvoudigste methode om deze te verminderen is het gebruik maken van ventielen met een grotere diameter dan de voor het instrument uitgezochte boring. Ventielen van een XL in een ML trompet leveren een weerstandsvermindering van 3% op.

 

5. HET MONDSTUK

 

Het mondstuk vormt de verbinding tussen de trompettist en zijn instrument. Het heeft een wezenlijke invloed op de prestaties van zowel de trompettist als de trompet.

 

DE VORM VAN DE BINNENKANT VAN HET MONDSTUK

 

De binnenkant van een mondstuk bestaat uit een rand, een cup, het gat, de hals en de stift. De maten en vormen van elk van deze onderdelen kunnen oneindig verschillen. Het onderscheid maken tussen combinaties van deze delen is de kunst van het bouwen van mondstukken. Deze  is gebaseerd op ervaring, succesvolle ontwerpen, de voorkeuren van de trompettist en technische innovaties. Iedere mondstukbouwer ontwikkelt een serie standaardmodellen, die gebaseerd is op de unieke vaardigheden en achtergronden van de bouwer.

 

STANDAARDMODELLEN

 

Zie tabel 8 voor de maten en beschrijvingen van de standaardmodellen van één mondstukbouwer. Populaire cups en stiften van andere bouwers worden getoond in de vergelijkingstabel. De producten van andere bouwers kunnen ook vergelijkbare cijfers opleveren; echter, dit soort vergelijkingen zijn nooit exact vanwege de talloze verschillende ontwerpen. Veel bouwers leveren gewijzigde en op maat gebouwde modellen om tegemoet te komen aan de individuele prestaties en het gebruikscomfort.

 

PASVORM VAN HET MONDSTUK

 

Niets is zo belangrijk als een goed passend mondstuk, dat een goed gevoel geeft. De rand en het wijdste deel van de cup staan in contact met de lippen. De juiste vorm van de rand en het wijdste deel van de cup hangen af van de bouw van de trompettist, zijn embouchure en zijn voorkeuren. Daarom kan de juiste pasvorm en het juiste gevoel alleen bereikt worden door systematisch uitproberen door de trompettist. Er zijn echter een paar richtlijnen die kunnen helpen het aantal van deze testen te beperken.

 

DE BINNENDIAMETER

 

De binnendiameter moet zodanig gekozen worden dat: (1) het rode deel van het lipweefsel vrij kan trillen; en (2) de kringspier van de lip het samentrekken van de lip  en de opening tussen de lippen kan beheersen. Een grotere maat maakt een grotere amplitude van de trillingen van de lip mogelijk, hetgeen leidt tot een groter geluid. Een grotere maat vraagt echter ook een sterkere embouchure (meer spierkracht), en maakt het spelen in het hoge register moeilijker. Over het algemeen wordt aangeraden om een zo groot mogelijk mondstuk te kiezen binnen de mogelijkheden van de trompettist.

 

Hoewel het bovenstaande redelijk lijkt, komt de trompettist bij het zoeken naar het juiste mondstuk vele moeilijkheden tegen. Ten eerste lopen de maten van mondstukken op met 1/64 inch (0,016). Een goede blazer kan een verschil van slechts enkele duizendsten van een inch voelen (laten we zeggen 0,003). Maten in 1/64 inch kunnen daarom slechts als grove maatvoering dienen. Gelukkig specificeren steeds meer mondstukbouwers de maten van hun modellen in 1/1000 inches (of de metrische equivalent daarvan). Helaas lost dit het probleem niet op. De binnendiameter wordt gewoonlijk gemeten aan de binnenkant  van de rand, op het punt waar de rand overgaat in de schuine kant van de cup. Deze moet eigenlijk tot op de duizendste inch nauwkeurig gemeten worden. Er ontstaat echter al een onnauwkeurigheid vanwege de onmogelijkheid om het exacte meetpunt vast te stellen. Dat punt is des te moeilijker vast te stellen als de rand een erg ronde vorm heeft of wanneer de diameter van de binnenrand erg groot is. Zelfs met exact gemeten identieke binnendiameters, kunnen verschillen in de vorm van de rand en het raakvlak de maat totaal verschillend laten aanvoelen.

 

Daarom moet de trompettist vertrouwen op het uitproberen van verschillende modellen mondstukken. Hij kan zijn voordeel doen met het individuele advies, de hulp van ter zake kundige en ervaren mondstukbouwers. De trompettist moet zich concentreren op de pasvorm en het gevoel van de rand en de binnendiameter voordat hij zich in het doolhof van alle andere mogelijkheden stort. Zoals bijvoorbeeld een cup en een stift die zorgvuldig zijn uitgekozen vanwege hun geschiktheid voor het werk van de blazer. De nodige systematische experimenten met randen worden vergemakkelijkt door mondstukken met afschroefbare rand. Een afschroefbare rand bevat alle varianten in vorm en binnendiameter. Later kan de blazer vergelijkbare testen doen met afschroefbare cups en – stiften in alle soorten en maten. Bij het proberen van een mondstuk moet de trompettist bewust nadenken, minstens enkele dagen, over de geschiktheid van de maat en vorm van het te testen deel.

 

DE VORM VAN DE RAND

 

De vorm van de rand kan aanzienlijk verschillen en heeft talloze geometrische variabelen. Verscheidene mondstukbouwers bieden niet minder dan vijf (5) verschillende vormen van randen aan, van plat tot rond. De binnenrand en de buitenrand, de belangrijkste delen van de platte rand, verliezen hun effect naarmate de rand ronder wordt. De vorm van de rand speelt een sleutelrol in de houvast van de lippen, de prestaties van de blazer en speelcomfort. (zie figuur 5).

 

DE PLATTE RAND

 

Bij een platte rand hangt de houvast van de lippen vooral af van de vlakke vorm van de binnenkant van de rand. Meer grip wordt verkregen door een scherpe hoek naar de cup (bijna cilindrisch) en een binnenrand met een kleine diameter. Een mondstuk met een minder steile cup en een binnenrand met een grote diameter geeft minder steun.

 

Een rand met een kleine binnendiameter spreekt goed aan, geeft een felle aanzet en een accurate en stabiele intonatie.Voor meer speelgemak kan de binnenrand iets groter gemaakt worden, ten koste van de kwaliteit van de aanzet, intonatie en het aanspreken van het instrument.

Een bredere rand verdeelt de druk over een groter raakvlak met de lippen. Een brede rand geeft speelcomfort en bevordert het uithoudingsvermogen. De flexibiliteit van de lip wordt echter beperkt en dit beïnvloedt het staccatospel, de aanzet en de helderheid van het geluid.

 

EEN RONDE RAND

 

Bij een ronde rand zijn de effecten van de hoek met de rand van de cup te verwaarlozen, evenals de straal van de binnenrand en de buitenrand. De ronde rand heeft zijn eigen effect op de grip. Met de vorm van de rand bepaalt het hoogste punt van de ronding op de rand het gevoel voor de diameter van het mondstuk. De ronde rand geeft buitengewoon veel flexibiliteit; echter niet het comfort en het uithoudingsvermogen van de vlakke rand, met name voor de blazer met dunne lippen.

 

DE HALFVLAKKE RAND

 

De halfvlakke rand heeft veel van de voordelen van zowel de vlakke - als de ronde rand. De straal van de ronding, die invloed heeft op de flexibiliteit, het uithoudingsvermogen en het speelcomfort gaat geleidelijk over in zowel de binnenrand als de buitenrand en vormt daarmee één geheel. Afhankelijk van de bolling heeft de plaats van het hoogste punt op de rand invloed op het gevoel van diameter van de rand.

 

VORM EN INHOUD VAN DE CUP

 

De cup kan meerdere vormen hebben: C of komvorm, V of hoge snelheidscup, de dubbele cup en de convex of bolle cup. De meeste ontwerpen zijn tussenvormen hiervan en bevatten elementen van alle bovengenoemde vormen. Zowel de diepte als de vorm (en de daaruit voortvloeiende inhoud) beïnvloeden de werking van het mondstuk. Een ondiep mondstuk met een cup met weinig inhoud produceert een helder en percussief geluid en spreekt goed aan; het speelt gemakkelijk in het hoge register. Een diep mondstuk met een grote cupinhoud geeft een donker geluid, spreekt minder gemakkelijk aan en het geluid is minder fel; het speelt gemakkelijker in het lage register. De inhoud van de cup kan worden berekend als de gebruikte waarden bekend zijn.

 

HET METEN VAN DE TOTALE CUPDIEPTE

 

Vanwege de geleidelijke overgang van de vorm van de cup in het gat en de hals is het moeilijk de exacte diepte van de cup vast te stellen. Gerard Ensley heeft de mondstukken van diverse bouwers gemeten. Hij gebruikte hiervoor een diepte micrometer met een as met een diameter die gelijk is aan een boortje nr. 22 (0,1570 inch). Hij centreerde de micrometer op de rand van het mondstuk en liet de as neer tot hij volledig contact maakte. Met deze techniek werden cupdieptes gemeten van 0,363 inch tot 0,800 inch, met een gemiddelde rond de 0,500 inch. Deze methode heeft waardevolle gegevens opgeleverd, maar vergelijkingen tussen cupdiepten zijn beperkt vanwege verschillende ontwerpen van het gat en de diameter van de hals van de mondstukken. De diepte van de cup zou gemeten moeten worden vanaf het vlak van de rand tot het begin van het cilindrische deel van het mondstuk.

 

DE LUCHTSTROOM EN DE DIEPTE VAN DE CUP

 

De embouchure van de trompettist controleert de aanvankelijke grootte, de vorm, de snelheid en de richting van de luchtstroom. De blazer laat een luchtstroom ontsnappen door de opening tussen de lippen, die ervoor zorgt dat de lippen gaan trillen. Door de lippen samen te trekken (of te comprimeren), wordt de opening verkleind, wordt de lipspanning vergroot en de toon hoger. De grootte van de opening tussen de lippen loopt uiteen van slechts enkele duizendste millimeters voor een hoge toon tot ongeveer het tienvoudige daarvan voor een lage. De dwarsdoorsnee van de luchtstroom die uit de opening tussen de lippen komt heeft aanvankelijk een min of meer elliptische vorm. Deze wordt echter, vrijwel onmiddellijk “afgerond” tot een stroom met een ronde dwarsdoorsnede. Naar mate de vrijgekomen luchtstroom verder van de opening verwijderd is en de cup binnengaat, verspreidt deze zich op natuurlijke wijze, wordt langzamer en krijgt een grotere diameter. De zich uitbreidende luchtstroom krijgt de vorm van een afgeknotte kegel met een binnenhoek van ongeveer 20 graden. Deze hoek wordt beïnvloed door de diepte en de vorm van de cup.

 

Bij een ondiepe cup krijgt de zich uitbreidende luchtstroom de doorsnede van de stift van het mondstuk nadat hij daar is aangekomen. Bij het binnengaan in het cilindrische deel van het mondstuk wordt de hoek van de kegel kleiner. De mate hangt af van de diepte en de vorm van de cup en diameter van de stift. De scherpere kegelvorm van de luchtstroom verkleint de kern van de toon en maakt hem helderder. Als de luchtstroom direct in de stift gericht wordt kan deze contact met de wanden van de cup en de hals van het mondstuk volledig vermijden. Hierdoor kan de volle energie van de luchtstroom gebruikt worden. Zie fig. 6.

Als de cup diep is krijgt de luchtstroom de diameter van de stift al voordat hij de stift bereikt. Als gevolg daarvan blijft de luchtstroom zich uitbreiden totdat zij de wand van de cup of de hals raakt. Bij het naderen van de wand wordt de hoek van de kegel groter, afhankelijk van de diepte en de vorm van de cup. Deze stompere hoek zorgt voor meer kern in het geluid en maakt het geluid donkerder. Als gevolg van het contact met de wand, afbuiging en versnelling, gaat een deel van de energie van de luchtstroom verloren. Ook ontstaat er door het contact met de wand van de cup en de hals wrijvingsweerstand. Deze effecten zorgen voor meer weerstand bij het blazen.

 

HET GAT

 

Het gat, ook wel de tweede cup, is een wezenlijk deel van de cup. Het gat moet zodanig op de hals van het mondstuk aansluiten dat er geen onregelmatigheid is. Daarom moeten de diameters van het gat en de hals (en daardoor de snelheid) exact gelijk aan elkaar zijn op het punt waar het gat en de hals samenkomen. Het gat maakt geen deel uit van de hals.  Zie fig. 7 voor ontwerpen van het gat die aan de voorwaarden voldoen. In de voorbeelden varieert de diameter van het gat volgens een wiskundige vergelijking, die resulteert in een aansluitend gat en convexcup. Dit model is geschikt voor spelen in het hoge register.

 

DE HALS

 

De hals  van het mondstuk is het cilindrische gat dat het gat en de stift met elkaar verbindt. De diameter en de lengte van de boring van het mondstuk heeft grote invloed op de weerstand bij het blazen.  De diameter van de hals kan aanzienlijk verschillen, zoals te zien is in tabel 9, en hangt af van het ontwerp. Boor maat 27 is de meest gebruikelijke maat, 26 en 28 zijn ook populair. In combinatie met een ondiepe cup kan een nauwe hals de toon nog helderder maken, een wijde hals kan de toon donkerder maken. Ook de lengte van de hals verschilt nogal, van ongeveer gelijk aan de diameter tot aan het oneindige. In de hals wordt de vrije luchtstroom vanuit de lippen begrensd door de wanden van de luchtkolom.

 

DE STIFT (ook wel back-bore)

 

De stift is de  uitlopende, tapse binnenkant van dat deel van het mondstuk dat achter het cilindrische deel van de hals komt. Een kleine stift(met een grote versmalling)  produceert een toon met kleine kern. Dit resulteert in een precieze, scherpe en doordringende toon en hoge weerstand. Grote stiften (met kleine versmalling) geven een grotere kern en een breed rond geluid en weinig weerstand. Bij niet-lineair uitlopende stiften heeft het eerste stuk vooral invloed op het geluid. Extreme maten kunnen de intonatie van de trompet negatief beïnvloeden. De boring en de stift bepalen samen de weerstand. Het hele mondstuk heeft op zijn beurt invloed op (en is normaal gesproken bepalend voor) de weerstand in de trompet en het mondstuk samen. Zie tabel 10.

 

SAMENVATTING

 

Hoewel de maten en de vormen van alle delen ieder een belangrijke rol spelen bij de prestaties van de trompettist en het mondstuk, moeten we het totale effect van alle elementen samen niet uit het oog verliezen. De  totale netto inhoud van het mondstuk bepaalt de natuurlijke frequentie van de luchtkolom in het mondstuk; die, op zijn beurt, de nauwkeurige versterking van de resonanties in de trompet bepaalt.

 

CONCLUSIE

 

De trompettist moet eerst bepalen wat voor werk hij moet doen.  De beste combinatie van componenten voor het mondstuk hangt in hoge mate af van het werk dat ermee gedaan moet worden. De meeste leadtrompettisten zullen bijvoorbeeld  kleinere modellen gebruiken, vergelijkbaar met Schilke 13A4a; veel klassieke trompettisten zullen de voorkeur geven aan grotere mondstukken, zoals Bach 1 ? C. Het eerste mondstuk is te scherp en te helder om te mengen in een  trompetsectie van een symfonieorkest; het tweede mondstuk mist de noodzakelijke rand om in de trompetsectie van een commercieel studio-orkest te passen.

 

6 . DE SPLEET TUSSEN MONDSTUK EN MONDPIJP (de "gap")

 

Het mondstuk wordt in de schacht gestopt. Deze verbindt het mondstuk met de mondpijp. De schacht zorgt ook voor een spleet tussen het eind van de stift van het mondstuk en het begin van de mondpijp. De voornaamste taak van de schacht is het mogelijk maken verschillende mondstukken te gebruiken op één trompet. Omdat veel trompettisten verschillende mondstukken gebruiken voor verschillende soorten werk, is dit erg belangrijk. Deze verschillende mondstukken kunnen door meer dan één bouwer gemaakt zijn. Als gevolg daarvan kunnen de diameters van de schachten (en de daaruit voortvloeiende spleten), en de diameters van de stiften verschillen.

 

De spleet tussen mondstuk en mondpijp is nogal omstreden en wordt vaak slecht begrepen. Het onderwerp is nogal in nevelen gehuld omdat de spleet niet overduidelijk aanwezig is en voor de trompettist gemakkelijk te meten is. In plaats van de hele procedure uit te leggen, volstaat hier te zeggen dat men in een goede muziekinstrumentenwinkel de spleet kan meten.

 

Hoewel de meeste trompetbouwers en mondstukbouwers het gebruik van een spleet aanbevelen, is er één bouwer van zowel trompetten als mondstukken die voorstander is van het weglaten van de spleet. Hoe kan dit? In de onderstaande alinea’s  wordt deze tegenstrijdigheid uitgelegd.

 

De spleet tussen het mondstuk en de mondpijp geeft de luchtstroom de gelegenheid  zich geleidelijk aan te passen van diameter van de stift van het mondstuk naar de diameter van de ingang van de mondpijp. Als deze twee gelijk zijn is een spleet niet noodzakelijk. Als er echter een verschil in diameters is, moet een voldoende lange spleet gebruikt worden.

 

EEN TE SMALLE GAP

 

Als de gap te smal is kunnen er twee dingen gebeuren:

 

1)    Als de diameter van de stift groter is dan die van de mondpijp, botst de luchtstroom tegen het begin van de mondpijp. Dit veroorzaakt meer weerstand en geeft een “stoffig” gevoel.

 

2)    Als de diameter van de stift kleiner is dan die van de mondpijp kan de luchtstroom ongehinderd doorstromen naar de luchtkolom in de mondpijp. Dit resulteert in de afwezigheid van de nodige weerstand en geeft het gevoel “dat je het instrument niet kunt volblazen”.

 

EEN TE BREDE GAP

 

Als de gap te breed is, past de luchtstroom zich aan de veranderde diameter van de buis aan, maar met wat extra weerstand. Deze extra weerstand is het gevolg van de plotselinge verwijding en vernauwing van de spleet. De extra weerstand is ongeveer 8% van de totale weerstand van de trompet (zonder mondstuk).

 

DE OPTIMALE GAP

 

De beste gap voorkomt dat de luchtstroom plotseling wijder en nauwer wordt. In dat geval “springt” de lucht als het ware voorbij de spleet; daardoor past deze zich aan de veranderende diameter aan, maar in principe zonder extra weerstand te veroorzaken.

 

De exacte maten van de ideale spleet gap de schacht en de boring van het begin van de mondpijp). De ideale spleet wordt verkregen door bij benadering 6 ? keer de wanddikte van de uitgang van het mondstuk te nemen, zoals in tabel 11. De wanddikte van de uitgang van het mondstuk kan door de trompettist gemeten worden met een schuifmaat, of kan worden vastgesteld in een goede muziekzaak.

 

De ideale gap behoorlijk kan afwijken, afhankelijk van de wanddikte van de mondstukuitgang. De algemeen aanbevolen breedte van 0,125 inch ligt echter goed binnen de grenzen. Een bredere spleet levert geen  andere serieuze problemen op anders dan een grotere weerstand. Er bestaat geen nauwkeurig omschreven optimale spleet, hoewel sommige trompettisten wel een voorkeur hebben voor een bepaalde spleet.

 

De ideale gap kan ook worden vastgesteld door te experimenteren. Dit kan door mondstukken met zgn. sleeves. Ook kan hiermee geëxperimenteerd worden bij het bouwen van een speciale op maat gemaakte trompet. Het wordt echter niet aangeraden de schacht en de staalring uit de beker van het instrument los te maken.

 

Als de spleet bijna dicht is, “klikt” de trompet niet zo goed in de noten als bij een juiste spleet. De speler moet dan de intonatie bepalen. Dit geeft de trompettist een ongewone flexibiliteit bij het buigen van noten en het spelen van glissando’s.

 

Een tweede functie van de spleet is het zorgen voor een resonantieruimte voor de luchtkolom. De cup van het mondstuk zorgt echter normaliter al voor een grotere resonantieruimte en de spleet is hiervoor niet essentieel.

 

7.   DE MONDPIJP

 

De mondpijp (ook wel het mondroer of de leadpipe) is conisch. Hij bestaat uit een cilindrische hals (venturi), een taps uitlopend deel en een langer cilindrisch deel. De hals van de mondpijp is een kort cilindrisch deel, waarvan de boring varieert van ongeveer 0,340 inch tot 0,355 inch, afhankelijk van het ontwerp. De lengte en het ontwerp van het taps uitlopende conische deel verschilt aanzienlijk per trompetbouwer.

 

Om delen onderling uitwisselbaar te kunnen maken zal de bouwer over het algemeen standaard maten en eigenschappen gebruiken voor de verschillende mondpijpen. Een trompettist moet verschillende mondpijpen proberen om zijn voorkeur vast te stellen. Commerciële musici geven vaak de voorkeur aan kleinere boringen, trompettisten uit symfonieorkesten aan mondpijpen met een grotere boring.

 

VERSMALLING

 

Het effect van het versmallen van de mondpijp, zoals te zien in hoofdstuk 1, wordt hier voor het gemak nog eens herhaald:

De frequentiebreedte van de resonantiepieken wordt voor het grootste gedeelte bepaald door de  mate waarin de boring van de mondpijp toeneemt. De kern van de toon bepaalt de basis kwaliteit van de het geluid van de trompet,  de projectie en de dynamiek van het geluid. Een “nauwe” (of langzaam uitlopende) boring zorgt voor een smallere kern. Dit leidt tot een scherpe, nauwkeurige toon met een uitzonderlijke projectie en dynamiek. Een “grote” (of sneller toenemende) boring produceert een grotere kern. Dit geeft een vol, breed geluid, dat minder projecteert en minder dynamisch is. De vorm van de cup van het mondstuk, de boring van de stift, en de boring van de beker hebben ook invloed op de kern van de toon.

 

OVERGANGEN

 

Het lineair uitlopende conische deel is (net als de cilindrische buis) vanzelfsprekend vrij van obstructies. De overgang (tussen het uitlopende en cilindrische deel) moet aan de volgende criteria om onderbrekingen en potentiële intonatieproblemen uit te sluiten:

 

1)    de boring en uitloop moeten bij iedere verbinding op elkaar aansluiten

 

2)    de mate waarin de buis verwijdt moet relatief klein zijn in het middendeel van de overgang en geleidelijk afnemen tot 0 aan elk uiteinde van de overgang

 

Er zijn vele schema’s die voor het conische deel van de mondpijp gebruikt kunnen worden. Om de mogelijkheden te illustreren, zijn de vormen voor normale mondpijpen afgebeeld in figuur 8a. De gedachte achter dit ontwerp was het gebruik maken van een lineair taps toelopende buis met een overgang die voldoet aan bovenstaande criteria. In dit specifieke ontwerp maakt de aanvankelijke cilindrische boring een overgang naar een  lineair taps deel en dan weer een overgang naar een cilindrisch deel. Door het tapse deel te centreren in het middelpunt van zowel de verandering in boring als de lengte van het conische deel, krijg je dezelfde overgang aan beide uiteinden van het tapse deel.

 

REEKS VAN VERSMALLINGEN

 

In de praktijk is er een minimale lineaire versmalling (iets groter dan de verandering van de diameter over het conische deel) nodig om de noodzakelijke overgangen te maken. In de praktijk is er maximale lineaire versmalling om de noodzakelijke overgangen te maken. Zie figuur 8b voor een bruikbare reeks versmallingen voor de familie van de zgn. reversed leadpipes.

Een veel gebruikte techniek voor het maken van een kleinere conische versmalling, is het gebruiken van een  conische stempomp, waardoor de stempomp als het ware deel gaat uitmaken van de mondpijp.

 

REVERSE LEADPIPE

 

Sommige trompetbouwers bieden een zgn. reversed leadpipe aan (ongeveer 2 ? inches langer dan de normale mondpijp) die overgaat in de schacht van de stempomp. Er lijken geen nadelen te kleven aan het gebruik van een reversed leadpipe, behalve dat de steun van de beker verder van de rand komt te zitten. De reversed leadpipe bestaat uit de gekozen  tapse versmalling en een langer cilindrisch deel naar een integrale mondpijp. Dit verbetert de intonatie in het hoge register en vermindert de weerstand.

 

In de langere reverse leadpipe wordt de verandering van de diameter (veroorzaakt door de dikte van de wand van de stempomp) “stroomafwaarts” van de overgang vandaan geplaatst (een potentiële onderbreking). Door een dunne of tapse wand te gebruiken, kan de weerstand door de diameterverandering gereduceerd worden. Potentiële intonatieproblemen worden hierdoor verminderd.

 

WEERSTAND

 

De weerstand voor ieder van de gebruikelijke reverse leadpipes die te zien zijn in figuur 8b, worden gegeven in tabel 12. De weerstand verschilt niet veel. Dit komt door het centreren van de lineaire versmalling in het conische deel. Dit ontwerp maakt het mogelijk iedere mondpijp van een serie te gebruiken zonder noemenswaardige verschillen in weerstand. Bij andere ontwerpen kan de weerstand aanzienlijk verschillen.

 

WANDDIKTE

 

De mondpijp wordt gemaakt door een cilindrische buis over een tapse mandrel te trekken. De wand van de mondpijp wordt daardoor dunner naar mate de diameter toeneemt. Tabel 13 laat het effect op het aanspreken van de trompet en de helderheid van het geluid zien, voor meerdere wanddiktes en de bijbehorende afmetingen.

 

 

MATERIAAL

 

De mondpijp wordt vaak gemaakt van hetzelfde materiaal als de buizen van de trompet. Het materiaal voor de mondpijp kan echter speciaal gekozen worden om de trompet donkerder of helderder te laten klinken , of om de respons te veranderen. Zacht, puur zilver geeft een donker geluid en een weke aanzet. Koper, rood koper, nikkelzilver, en koper-nikkel produceren een toenemend helderder geluid en directere aanzet. Zie hoofdstuk 3, MATERIAAL.

 

RESPONS

 

Een trompettist merkt onmiddellijk veranderingen in het geluid van de trompet op dat reageert op de meest subtiele articulaties. De directheid waarmee de trompet reageert op de articulatie van de trompettist wordt het aanspreken of de respons genoemd.

 

Dunner materiaal reageert sneller op drukveranderingen binnen de luchtkolom dan dikker materiaal. Zoals eerder besproken, neemt de amplitude van de drukgolf van de resonantie af op zijn weg van de ingang naar de uitgang van de trompet, vanwege wrijvingsweerstand. Hieruit volgt dat de wanddikte dichtbij de ingang, waar de amplitude van de drukgolf van nature hoger is, het meest geschikt is om de respons te beïnvloeden. De wanden van het mondstuk, de mondpijp en de schacht, en de stempomp zijn dus het belangrijkst als het gaat om het aanpassen van het aanspreken van de trompet.

 

DE SCHACHT

 

De schacht is aan de mondpijp vast gesoldeerd en vormt hiermee één geheel. De massa en de mechanische eigenschappen van de schacht zijn erg belangrijk. De massa beïnvloedt de natuurlijke frequentie van de trompetwand, zoals in hoofdstuk 2 besproken is. De mechanische eigenschappen bestaan uit het accuraat verbinden van het mondstuk en de mondpijp en het verhinderen van indeuken en corrosie.

 

De gedraaide schacht moet precies aansluiten op de standaard maten van de stift van het mondstuk (0,050 inch), moet concentrisch zijn en aan de andere kant aansluiten op de mondpijp. Standaard messing (messing met lood) wordt hiervoor meestal gebruikt; nikkel-zilver (of een koper-nikkel legering) zorgt voor meer hardheid, sterkte en roestbestendigheid. Een standaard schacht is te zien in figuur 9. Dit ontwerp is vooral geschikt voor een jazztrompet. Er is echter geen specifiek nadeel aan te wijzen voor het gebruik voor klassieke muziek, als tenminste de rest van het materiaal geschikt is voor symfonisch gebruik. Deze schacht weegt 0,4 ounces. De boring van de schacht kan aangepast worden om goed aan te sluiten op de diameter van de mondpijp.

 

SAMENVATTING

 

De versmalling van de mondpijp beïnvloed in grote mate de grootte van de kern van de toon, wat gepaard gaat met de principiële kwaliteit van de toon, de projectie en de dynamische mogelijkheden. De gebruikte overgangen kunnen een nadelig effect hebben op de intonatie. De vorm van de versmalling en de verbindingen beïnvloeden de weerstand. De dikte van de wand van de mondpijp, de geleiding van het materiaal en de hardheid van het materiaal dragen wezenlijk bij aan de respons, de kracht van de aanzet en de helderheid van het geluid. De totale massa, de dikte van de wand en de eigenschappen van het materiaal waarvan de schacht is gemaakt, beïnvloeden dezelfde eigenschappen en bovendien de breekbaarheid en de roestbestendigheid van dat deel van het instrument.

 

Het moge duidelijk zijn dat veel belangrijke eigenschappen van het instrument afhankelijk zijn van het ontwerp van de mondpijp en de schacht.

 

8 .   DE STEMPOMP

 

STEMMING

 

De stempomp maakt het mogelijk de stemming aan te passen. Als de temperatuur van de luchtkolom verandert, kan de stemming gecorrigeerd worden met de stempomp. Bij een hogere tempratuur van de luchtkolom neemt de akoestische snelheid van de luchtkolom toe. Dit maakt een langere luchtkolom nodig om de stemming te handhaven. Om een verandering  van de omgevingstemperatuur van 10ºF te corrigeren, is een aanpassing van ongeveer 3/16 inch is nodig.

 

WERKING

 

De werking van de verschillende ontwerpen voor stempompen verschilt aanzienlijk. Sommige trompettisten nemen zelfs verschillen in stempompen met het zelfde ontwerp van dezelfde bouwer waar. De stempomp heeft grote invloed op het geluid, het aanspreken en de weerstand van een trompet.

De stempomp met een ronde bocht heeft minder weerstand dan een “hoekiger” ontwerp. De afstand tussen de boven- en onderkant van de pomp varieert van 2 tot 2 ? inches. De bouwer kan ook gebruik maken van een bocht met een grotere boring om de weerstand te verminderen. Verder kan een conische bocht worden gebruikt, waardoor de versmalling van de mondpijp wordt verlengd.

 

De stempomp moet zo gemaakt worden dat, wanneer de pomp helemaal in is, er geen spleten aan de binnenkant zitten. De blazer zal dan merken dat de trompet sterkere en nauwkeurigere resonanties heeft (hoewel de stemming te hoog is). Onder normale condities, moet de stempomp tot wel 3 centimeter uitgeschoven worden. Hierdoor ontstaan obstructies (door plotselinge veranderingen van de diameter) in de cilindrische boring. Deze kunnen verkleind worden door dunner materiaal te gebruiken voor de buizen, of een dunner wordende wand (dit zal ook de weerstand van de stempomp verkleinen). De lengte van de obstructies kan verkleind worden door een klein stukje buis (dat precies overeenkomt met de buizen van de trompet) in beide einden van de schachten van de stempomp aan te brengen. In de meeste gevallen volstaat ? of ?  inch. Dit verbetert de intonatie en zorgt voor meer resonanties. Goed gemaakte inzetstukken kunnen met eenvoudig gereedschap gemakkelijk verwijderd worden.

 

De steun in de stempomp verbetert het aanspreken en de projectie van het instrument wezenlijk. Zie het deel RESPONS van hoofdstuk 7, DE MONDPIJP

 

9.  DE BUIZEN

 

Een deel van de luchtkolom van de trompet bestaat uit een cilindrische buizen. De binnendiameter van de buizen wordt de boring van de buizen genoemd. Trompetbouwers bieden een reeks verschillende maten boring aan om aan de wensen en behoeften van de individuele trompettisten te voldoen. De meest gebruikelijke boring is medium-large. Zie tabel 14 voor de maten van de meest populaire boringen.

 

Normaal hebben de cilindrische buizen, de buizen aan de ventielen, de stempomp en de gaten in de zuigers van de ventielen dezelfde diameter. De bouwer kan echter de maat van de gaten in de ventielen en de bochten aanpassen om de totale weerstand aan te passen. Als een trompet op deze manier gebouwd is, wordt de boring gespecificeerd door zowel de boring van de buizen als die van de ventielen.

 

Hoewel de meeste blazers een medium-large boring gebruiken, geven sommige trompettisten de voorkeur aan een medium boring. Deze geeft meer weerstand en je hebt minder lucht nodig. Krachtige blazers kiezen vaak voor een large, of extra large boring vanwege het grote geluid, maar dit vraagt veel lucht. Leadtrompettisten gebruiken soms een grotere boring om de relatief hoge weerstand van de mondstukken, die meestal in de lichte muziek gebruikt worden, te compenseren. 

 

WANDDIKTE

 

De dikte van de wanden van de buizen is normaal gesproken tussen de 0,014 inch en 0,024 inch; wanden kunnen echter ook dikker zijn. Een dunnere buis versterkt de hogere boventonen en dat resulteert in een briljant geluid en een makkelijk aansprekend instrument. Als de wand te dun is kan de trompet gemakkelijk overblazen worden en is hij erg kwetsbaar. Een dikkere buis versterkt de lagere natuurtonen en dat geeft een donkerder geluid, meer projectie en minder respons. De schacht voor de buizen hebben meestal van dezelfde wanddikte als de buizen zelf.

 

MATERIAAL

 

Messing is een legering, die speciaal ontwikkelt is om buizen te trekken. Theoretisch is de chemische samenstelling: koper (81%), zink (18%) en tin (1%). Messing buizen worden gehard als gevolg van het trekken van de buizen. Gedeeltelijk geharde messing buizen geven een helder geluid (zeker bij dunne wanden). Schachten worden over het algemeen gemaakt van messing of nikkel-zilver.

 

10.  DE BEKER

 

De beker is het belangrijkste deel in het ontwerp van de luchtkolom. De beker controleert de intonatie en beïnvloedt de kern en de kleur van de toon. De beker bestaat uit een stam, een conische bocht, een kelk en een rand.

 

DE GEOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

 

De boring van de stam moet overeenkomen met de boring van de buizen om weerstand te vermijden. Als een mandrel gebruikt wordt voor het maken van bekers voor verschillende boringen, kan de stam vergroot worden om op de boring van de buizen aan te sluiten voordat de conische bocht gemaakt wordt. Iedere bouwer gebruikt één of meer modellen voor de conische bocht, die kunnen variëren van een ronde bocht tot een wat afgeplatte bocht (vergelijkbaar met “vierkante” stempomp). De eigenschappen van de bocht zijn niet zo belangrijk. De diameter van de beker begint, afhankelijk van het ontwerp, over het algemeen ergens vanuit ongeveer het midden van de bocht conisch uit te lopen. Voor informatie over de verbreding en de kelk, zie DE BEKER in hoofdstuk 1, DE LUCHTKOLOM.

 

De wanddikte van de beker is over het algemeen, maar niet noodzakelijk ongeveer dezelfde als die van de buizen.Sommige bouwers laten de wand van de beker naar de rand toe steeds dunner worden. Dit versterkt de hogere boventonen.

De diameter van de rand zit meestal tussen de 4 ? en 5 ? inches. De ring verleent zowel de rand als de kelk stevigheid en  bescherming tegen beschadiging. De ring is meestal van messing of van staal. Messing roest niet (en breekt dus niet) als het in contact komt met soldeervloeistof.

 

HET VORMEN VAN DE BEKER

 

De beker wordt gemaakt van een plaat. Voor een beker uit één stuk, wordt de metalen plaat gevouwen, geknipt in de vorm, aaneen gesmeed of gelast langs de lengtenaad, met de hand in de vorm gehamerd, en tenslotte gedraaid en gepolijst (op een  daarvoor geschikte mandrel).Een beker uit twee stukken heeft een cirkelvormige naad. Het eindresultaat is een gelijke wanddikte en gelijke metaaleigenschappen (rond de as van de beker).

 

DIKTE

De gebruikelijke diktes voor het plaatmateriaal zijn te zien in tabel 15. Dunner materiaal na bewerking geven een donkerder geluid met veel projectie.

 

bron : "The Trumpet construction & performance" by Charles A. Macaluso

 

 

LINKS

 

Schilke Brass Clinic

Trumpet Acoustics

Leader Pipe and his Function

Dimensional Characteristics of Brass Mouthpieces

Practical Physics for Trumpeters and Teachers

GR Mouthpiece Clinic

Erik Veldkamp.nl

GMail48
Booksbanner