![]() | |
Een dagje shoppen bij Hub van Laar... First Class Brass Limited reisverslag |
Schilke B1 & S32
De Schilke B1 (achter) & S32 (voor)
Omdat er veel vraag was naar een test van Schilke-trompetten, ligt het voor de hand om de twee best verkopende modellen uit de B- en de S-serie te testen. In deze test heb ik geprobeerd om de verschillen tussen deze modellen op een rijtje te zetten. Het werd me al snel duidelijk waarom Schilke-trompetten nog steeds zo populair zijn.
Er is gelukkig veel informatie beschikbaar over Schilke. Jim Donaldson heeft veel ins en outs op zijn website, die hij “The Schilke Loyalist” noemt, gezet. Ik heb geen poging gedaan om de hele website te vertalen, maar heb de site tijdens de tests wel gebruikt als referentiekader. Schilke Music Products heeft sinds kort ook een nieuwe website die het bekijken meer dan waard is.
De modelnummers van Schilke-trompetten zijn chronologisch. Dat betekent dat de B1 het eerste model is dat Renold Otto Schilke op de markt heeft gebracht. Het modelnummer zegt dus niets over de boring of andere technische zaken. De X-serie bestaat uit de modellen met de grootste boring. De serie Bb-trompetten bestaat nu uit de B1 t/m de B7 en de X3 en de X4. Daarnaast zijn er nog de S22, de S32, de S42 en de S42L. De L betekent dat de trompet een “tuning bell” heeft, een verwisselbare beker die ook gebruikt wordt om het instrument te stemmen. De normale stempomp hoeft dan niet gebruikt te worden. Overigens zijn alle modellen in die uitvoering verkrijgbaar. Schilke-instrumenten zijn alleen verzilverd of verguld verkrijgbaar. Renold Schilke vond dat een laklaag teveel interfereert met de respons van de trompet en met een zilver- of goudlaag spreekt de trompet ook beter aan. Daarnaast gaat zo’n zilver- of goudlaag veel langer mee. Sonic had de beschikking over verzilverde modellen en ik moet zeggen dat de kwaliteit van de zilverlaag buitengewoon is. Door bijvoorbeeld de dikte van de laag zit daar nog wel eens verschil in.
Het B1-model
Dit is de eerste trompet die Renold Schilke in 1962 op de markt heeft gebracht. Het was niet alleen zijn favoriete model, maar ook dat van zijn klanten. Dit model wordt nog steeds het best verkocht. Net zoals de B2 en de B5, heeft de B1 een ML (11.68 mm) body, maar een L(arge) beker. Dat betekent dat de trompet een zogenaamd “step bore design” heeft: zij is meer conisch gebouwd. De trompet begint met een smallere boring in de mondpijp, wordt langzamerhand breder door de stempomp en eindigt met een grote beker. Het voordeel hiervan is dat de trompet, vergeleken met een normale ML, opener en vrijer speelt. Omdat de trompet echter niet groot begint voelt zij niet aan als een grote trompet. Om een groot geluid te krijgen hoef je er niet zoveel lucht doorheen te blazen als bij een echte L boring, integendeel, hij speelt lekker licht. De boring van de bochten in de pompen is iets groter dan de boring van de buizen. Daardoor blaast de trompet nog gemakkelijker door en voelt zij groter aan dan je zou verwachten bij een dergelijke compacte bouwwijze. Schilke gebruikt zware roodkoperen (95% koper) ventielblokken. Dat zorgt er voor dat deze lichtgewicht trompetten voldoende laag in het geluid krijgen en niet te dun klinken. De B1 heeft een mooi briljant geluid dat door de grotere beker (127mm) breed uitstraalt. Ook de mondpijp is van roodkoper. Roodkoperen mondpijpen worden vaak gebruikt omdat de zilverlaag hierdoor minder corrosiegevoelig is. Bij een hoger volume geeft een roodkoperen mondpijp ook iets meer projectie. De rest van de trompet is van geel messing (60% koper).
Over de boring zegt Renold Schilke in een brief aan een klant het volgende:
“Neem bijvoorbeeld de B1. Het begin van de mondpijp, dus niet de receiver, heeft een boring van 0,342 inch. Deze loopt in verschillende gradaties taps uit tot 0,460 inch bij het ventielhuis. Op diverse plekken verspreid door het hele instrument, wordt de boring nog wijder: van 0,464 tot zelfs 0,468 inches. Dit stopt bij de beker, waarvan de uitloop een diameter van 5 inches heeft. Er zijn zoveel verschillende diameters in het instrument gebruikt omdat ik dat nodig heb om het patroon van buiken en knopen voor de intonatie van een bepaalde toon te sturen. Op die plekken waar de golf smal is, en dat zijn er nogal wat, probeer ik de boring zo klein mogelijk te houden om maximale controle over het instrument mogelijk te maken. Op de raakvlakken of bij de lussen in het patroon van buiken en knopen wordt de intonatie en de vrije doorstroming van de lucht natuurlijk geregeld”
Wat onmiddellijk opvalt als je naar het design van de trompet kijkt, zijn de hexagonale ventieldoppen met de groene viltjes. Die zijn kenmerkend voor het ontwerp van Schilke. De hexagonale doppen zijn eenvoudiger los en vast te draaien. Als ze erg vastzitten kan eventueel met een tang. De groene viltjes moeten na een periode van inslijten een perfecte uitlijning garanderen. De monelventielen liepen overigens bij beide modellen erg goed.
Alle modellen hebben een reversed leadpipe. Dat betekend dat de bovenste buis van de stempomp in plaats van in over de mondpijp schuift, zoals dat bij standaard mondpijpen het geval is. Dit is een overblijfsel van de Martin Committee, die Renold Schilke met o.a.Vincent Bach ontworpen heeft (in een “Committee” van wijze mannen). Er zit, net als bij de Martin, geen steun in de stempomp. De stempomp op zich is ook erg smal: dat resulteert in een rondere bocht. Daardoor blaast de trompet gemakkelijker door, mede door de iets grotere boring van de bocht. De gaten in de ventielen zijn ook een maatje groter dan de boring van de buizen. Ook daardoor blaast zij ook iets gemakkelijker door. Zo blijft de lichtgewicht trompet open spelen en erg gemakkelijk aanspreken, zonder dat zij klein aanvoelt. Renold O. Schilke heeft veel onderzoek gedaan naar het verloop van de zogenaamde buiken en knopen (“nodal pattern”) in een trompet. Het gaat te ver om dit principe uit te leggen; daar is genoeg over terug te vinden op de Schilke Loyalist website. In de bovenstaande brief zegt Schilke hier al het een en ander over. Mede hierdoor is de stemming van Schilke-trompetten optimaal.
De trompet ziet er erg basic en sjiek uit. Dit komt doordat er geen steun in de stempomp zit en de waterklep op de derde pomp ontbreekt. Het borgschroefje op de derde pomp ziet er echter wel erg magertjes uit en ik vind het ook niet echt prettig functioneren: het is te pietepeuterig uitgevoerd. Ik weet niet wat daar de reden voor is maar omdat de waterklep op de derde schuif ontbreekt, moet je deze er toch steeds uit halen om het water eruit te krijgen. Zo’n klein schroefje is dan niet echt handig. Het zal wel met dat buiken-en-knopen-verhaal te maken hebben, of misschien vond Schilke het er gewoon mooi uitzien.
Het S32-model
De S serie bestaat uit drie Bb-trompetten, de S22, de S32 en de S42. Zij werd geïÔntroduceerd in 1985. Deze serie schijnt voornamelijk ontworpen te zijn door Scott Laskey omdat de gezondheid van Renold O. Schilke rond 1980 steeds slechter werd. Schilke overleed in 1982. Naast deze drie modellen is er nog een speciaal Jon Faddis-model, de S42L. Het is niet helemaal duidelijk waarom men met de S-serie op de proppen kwam. In de catalogus geeft Schilke als verklaring dat men aan de vraag van bekende professionele trompettisten tegemoet wilde komen. Die wilden een bepaald gevoel en een bepaalde geluidskwaliteit, maar dezelfde respons en excellente intonatie van de B- en X-serie. Volgens Jim Donaldson probeerde Schilke om meer richting het geluid van Bach te gaan. Bach-trompetten waren erg populair in de omgeving van Chicago, waar de fabriek van Schilke stond. De S-serie speelt compacter, meer gecentreerd, met meer resonantie en met een rijkere kern in het geluid. De S-serie is dan ook van zwaarder plaatmateriaal gemaakt heeft dezelfde messing beker met een #2 taper. Deze beker heeft dezelfde vorm als de beker van de B5, die is echter van koper. De rand van de bekers van de S-serie is dicht gesoldeerd. De S32 heeft wel een steun in de stempomp die ook iets hoekiger is uitgevoerd. Ik merkte dat hij daardoor toch wel iets minder snel aanspreekt dan de B1. Hij is gemaakt voor orkest, kamermuziek en solisten, maar ook leadtrompettisten zoals Roger Ingram spelen op dit model. Het projecteert namelijk erg goed, zeker met een leadmondstuk.
Het Jon Faddis-model heeft geen waterklep op de speciaal hiervoor gemaakte stempomp. Deze is sowieso iets anders van vorm. Er zitten ook verzwaarde ventieldoppen op en de knopjes op de pompen ontbreken. Het Jon Faddis-model heeft een verwisselbare beker en een losse steun tussen de beker en de mondpijp (“soundpost”). De S42L is dan ook de duurste uit de serie Bb-trompetten.
De twee modellen naast elkaar
Qua uiterlijk en design vallen een paar verschillen op: op de eerste ventielpomp van de B1 zit een duimsteun in U-vorm, de S32 daarentegen heeft een duimring. De B1 heeft een steun meer tussen het ventielhuis en de beker, de S32 heeft een steun in de stempomp. De mondstukschacht (receiver) van de B1 is langer dan die van de S32. Het mondstuk gaat bij de S32 minder diep, zodat je een grotere “gap” krijgt: dat geeft een ander speelgevoel. De gap, de ruimte tussen het eind van de stift van het mondstuk en het begin van de mondpijp, is bij de S-serie iets groter. Mijn ervaring is, dat als het mondstuk er dieper in de trompet gaat, dus bij een kleinere gap, dat de trompet helderder gaat klinken. Maar het is natuurlijk moeilijk om de precieze speeleigenschappen door kleine onderlinge verschillen te verklaren. In ieder geval heeft de S32 veel meer weerstand dan de B1. Voor mij was het iets teveel als ik er lead op speelde, maar iemand anders zal dit misschien als prettig ervaren. Roger Ingram, de leadtrompettist van Harry Connick’s bigband, speelt al jarenlang lead op een S32.
Qua klank en speeleigenschappen merk je een duidelijk verschil. De B1 heeft een briljantere klank en straalt breder uit. Hij voelt ook meer aan als een lichtgewicht dan de S32. De B1 spreekt dan ook iets makkelijker aan. De S32 heeft daarentegen meer projectie en een compacter geluid. Er zit meer kern in het geluid en voelt wat minder open aan, meer weerstand dus. Dat komt natuurlijk door de grotere beker op de B1, maar ook de extra steun in de stembocht van de S32 veroorzaakt meer weerstand. Het verschil tussen een L-beker en een ML-beker zit niet in de fysieke grote maar in de vorm. De L-beker is wat meer conisch dan de ML: hij wordt dus geleidelijk steeds breder naar de uitloop toe. De ML blijft langer cilindrisch en loopt pas op het laatste gedeelte sterk uit. Het verschil in grootte wordt duidelijk als je er een demper in stopt: die gaat er bij een L veel verder in. De diameter van beide bekers is 127 mm, groter dan de bekers van de meeste andere merken: die zijn vaak zo’n 122 mm. Bij ieder volume en door alle registers heen blijft de klank mooi egaal. Ik denk dat beide instrumenten voor veel uiteenlopende muziekstijlen inzetbaar zijn. De keuze hangt vooral af van de persoonlijke voorkeur van de trompettist.
Conclusie
Al met al had ik bij de B1 het meest het gevoel dat ik op een Schilke-trompet zat te spelen en die beviel me dan ook beter. De S32 sprak iets minder aan en had voor mij iets teveel weerstand. De S32 zit wel iets dichter in de buurt van een Bach-trompet en deze is dan ook zeker geschikt voor Schilke-trompettisten die wat meer kern en weerstand willen. Omdat ze beide hun sterke kanten hebben had ik een paar concerten nodig om mijn voorkeur voor een model te kunnen. Uiteindelijk was de B1 voor mij toch wel de beste keuze, net zoals voor de meeste Schilke-spelers. Aan beide trompetten is goed te merken dat je met topkwaliteit te maken hebt: er is maar weinig op aan te merken. Perfectie is dan ook al decennia lang standaard bij Schilke Music.
meer info: www.schilkemusic.com
Copyright ©, 2006 Erik G. Veldkamp, All Rights Reserved
| ||
Erik Veldkamp.nl